Beekridder en bronforel

Foto: Matthias Wendt / www.media-army.de
Foto: Matthias Wendt / www.media-army.de

Latijnse naam: Salvelinus alpinus / Salvelinus fontinalis
In het Noors: Røye / Sjørøye

Leefgebied: Deze forelsoorten komen voor in vele Noorse wateren waarbij je altijd onderscheidt moet maken tussen drie ondersoorten. De bronforel (Salvelinus fontinalis) komt net als de regenboogforel oorspronkelijk uit Noord-Amerika en werd laat in de 19e eeuw ingeburgerd in Europa. Deze vissoort speelt in de Noorse wateren een niet al te grote rol. Hetzelfde geldt voor de Amerikaanse meerforel, ook wel Namaycush genoemd. Deze werd in het verleden onder meer in een aantal Scandinavische meren uitgezet en heeft zich daar bijzonder goed aangepast. Veel vaker komt echter de beekridder voor (Salvelinus alpinus), die zich verspreid heeft over heel Noorwegen. Een van de bekendste en beste forelwateren is zeer zeker het Skogseidvatnet in de buurt van Bergen. Vooral in Noord-Noorwegen bevindt zich een kleinere soort  (Norw. Sjørøye) die voornamelijk in zee leeft. Net zoals zalm en zeeforel trekt deze alleen bij het paaien naar het zoete water.

Grootte: Terwijl beekridder zelden meer dan één kg weegt en 50 cm lang kan worden, kunnen Amerikaanse meerforellen in zeldzame gevallen tot 80 cm lang met een gewicht van ongeveer acht kilo worden. Het Noorse record staat momenteel op 8,28 kilo (meerforel) en 2,61 kg (beekridder).

Vismethoden: Beekridders en bronforellen laten zich door verschillende vismethoden verrassen. In meren wordt meestal slepend gevist of werpend gevist met kunstaas. Een in Noorwegen zeer populaire vismethode is ook het vissen met natuurlijk aas dat achter een loklepel aangeboden wordt. Ook veelbelovend is het vissen met een paternoster. Heel vaak wordt bij het vissen op roofvis ook beekridder gevangen. Vliegvissen is vooral in de zomer de moeite waard wanneer de beekridder voor voedsel naar het ondiepe water trekt. Populair en succesvol is in Noorwegen ook het ijsvissen op beekridder.

Aas: Bij het slepend vissen komen kleine aasvissen in aanmerking alsook pluggen en lepels. Deze laatste zijn ook bij het werpend vissen met kunstaas een goede keuze, gevolgd door spinners en kleine pluggen. Uiterst effectief is ook het vissen met felgekleurde loklepels met daarachter geplaatst enkele haken met natuurlijk aas. Ook paternosters vangen bijzonder goed in combinatie met natuurlijk aas.

Wanneer de vis in de zomermaanden naar de oppervlakte komt voor insecten, kan ook het vliegvissen met droge vliegen zeer succesvol zijn.  In andere gevallen moet je je concentreren op het vissen met natte vliegen.

Beste vistijd: Het hele jaar door te vangen, ijsvissen van februari tot april, vliegvissen van juni tot september.

Paaitijd: Tussen september en januari.